Moos op
vakantie, helemaal alleen in zijn eentje naar Israël.
Moos is echt aan vakantie toe, maar
Sarah is al wat ouder en kan niet zo goed meer uit de voeten. Het lopen gaat
haar slecht af. Ze is kortademig en veel, heel veel last van reumatiek. Maar
Sarah is een goed oud ‘Jiddisch wijfie’ en zegt tegen Moos dat hij maar alleen
moet gaan en voor haar moet gaan bidden bij de Klaagmuur.
Dus gaat Moos met de EL AL naar Israël,
boekt een hotelkamer in de oude stad Jerusalem en gaat linea recta naar de
Klaagmuur. Na zijn dure plicht gedaan te hebben dwaalt hij nog wat rond in het
nieuwe centrum van Jerusalem. Plots ziet hij een marktje, vlak bij de
Jaffastreet en op een van de stalletjes ziet hij diverse hele mooie en zeer
oude olielampen. Moos ruikt gelijk handel, koopt zonder veel vragen zo’n ding
en besluit het op zijn hotelkamer eens goed te onderzoeken. Daar kan best
‘brood’ in zitten, denkt hij bij zichzelf.
Een maal op de hotelkamer gaat Moos de
lamp eens goed inspecteren en verdraaid, dat ding blijkt echt oud te zijn. Hij
poetst en poetst dat de stukken eraf vliegen en plots … ja hoor. Plots komt er
een geest uit de lamp en vraagt gedienstig aan zijn meester: Moos, wat hij
wenst. Helaas is er maar ruimte voor slechts één wens. Moos denkt diep na,
realiseert dat hij al wat ouder is en redelijk zijn ‘schaapjes op het droge’
heeft. Aardig wat pandjes heeft opgekocht in Mokum en door liefde bevangen voor
zijn oude volk laat hij de geest een landkaart zien van het Midden-Oosten en vraagt
om vrede te stichten tussen Israël en de Palestijnen.
De geest wordt ineens heel klein en
krimpt haast tot een luciferdoosje en zegt tegen Moos: “Ach, beste vriend, ik
kan veel, heel veel, maar nu vraag je me toch haast het onmogelijke.” Moos
begrijpt op zijn beurt dat het ook wel schieronmogelijk is en zegt tegen de
geest dat hij dan wel een andere wens heeft. De geest is blij en wordt weer
groter en ziet minzaam op Moos neer. Moos haalt een foto van Sarah uit zijn
portefeuille, een foto onlangs gemaakt op de Oude Zijds. Op de foto is goed te
zien dat Sarah zes onderkinnen heeft, betonpaaltjes van benen, zware hangende
borsten, moddervet is, wallen onder d’r ogen, lang sluikhaar en een vreselijke
afgezakte mond. De geest kijkt met afschuw naar de foto en krimpt opnieuw ineen
als Moos zijn nieuwe wens, om van sarah weer een jonge, mooie meid te maken,
aanhoort. De geest kermt haast van ellende en zegt zachtjes tegen Moos: “Laat
me die kaart van Israël en het Midden Oosten nog eens zien!”
Silvia
Videler.
December
2006