Bron: BN-DeStem

 

Van haver tot gort in Gilze

 

 

molen

 

Molen in Gilze, zoals die op de omslag van de periodiek van de heemkring Molenheide te Gilze en Rijen staat.

 

 

Molens zien we vrijwel alleen nog in het landschap als monument.

 

 

Ooit was zo'n molen een nuttig maalinstrument, aangedreven door handkracht, paard (rosmolen), wind, water of stoom. Veel watermolens, aangedreven door de stroming van een beek of rivier, werden later vervangen door stoom- en motorgemalen. Typisch Nederlands is de poldermolen die met windkracht een rad aandrijft dat het water verzet van de diep gelegen polder naar de boezem en uiteindelijk naar zee. Aangenomen wordt dat windmolens op drie plaatsen in de wereld onafhankelijk van elkaar zijn uitgevonden: in Europa, Perzië en China. Watermolens vinden we 300 na Chr. overal in Europa. De eerste windmolens verschenen rond het jaar 1000 in Noordwest-Frankrijk, Vlaanderen en Zuid-Engeland. Elke gemeente in onze streek kende ooit wel een of meer molens. Met mooie namen als d'Onvermoeide in Raamsdonksveer. De meeste molens werden gesloopt, brandden af of overleefden als wiekloze molenstomp.

 

 

image040

 

Molen d’Onvermoeide in Raamsdonksveer

(Foto: Kees Wittenbols – februari 2007)

 

 

Het malen van graan was een van de belangrijkste functies van de molen. In Noord-Brabant was dat het malen van rogge, want dat was hier het belangrijkste voedingsmiddel van de gewone man. Tarwe was een luxe gewas dat slecht groeide op de schrale zandgronden.

 

In Gilze is zeshonderd jaar gemalen. Eerst met een grote liggende steen en daarop een kleinere steen die met de hand werd rondgedraaid. Toen er grote molens kwamen, wilden de eigenaren de concurrentie van de handmolens uitbannen. In 1666 verbood de overheid het gebruikt ervan per decreet: “Ieder is gewaarschuwd dat niemand een handmolen mag hebben of gebruiken. Van ieder wordt geëist deze handmolens binnen acht dagen weg te doen.” Wie stiekem thuis maalde, kon een boete krijgen. De bevolking lapte die overheidsbemoeienis massaal aan de laars, want rond 1700 telde Gilze 210 handmolens op 286 huishoudens, bijna één per huishouden. Hoe ze aan die handmolens kwamen, is nog altijd een raadsel. “Achtergelaten door voorbijtrekkende legers? Zou kunnen,” suggereert de Gilzer heemkundige Jan de Vet die de regionale molengeschiedenis vastlegde voor de lokale heemkring Molenheide. Het uitgestrekte gebied rond Gilze kende in die tijd maar één molen. Die was eigendom van de heer van Breda. De pachters van de molen klaagden erover dat het maalwerk met 30 procent was teruggelopen door het gebruik van thuismolens. De overheid dreigde vervolgens met voor die tijd draconische boetes van 100 tot 1000 gulden. De handmolen voor de kleine man bleek moeilijk uit te bannen en werd geleidelijk aan weer oogluikend toegestaan. In Gilze bleef de handmolen lang in gebruik bij de plaatselijke grutters. Dat waren de handmolenaars die voor derden boekweit, haver en grutten vermaalden. Nog in 1883 werken er in Gilze drie van deze boekweit-grutmolens. Van gegrutte boekweit en haver werden boekweitgort en havergort gemaakt. Het waren deze grutters die hun vak van haver tot gort beheersten.

 

 

Zie ook:

 

Gilze in beeld

Molens rond Breda in beeld

 

 

 

 

21 januari 2009

 

Home

 

 

 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 



 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

stats count


 

BREDA-EN-ALLES-DAAROMHEEN